Ouder-Kind Club #14-25

Deze activiteiten zijn ook beschikbaar in het Engels  en het Romeens ro_ro

  1. Op
  2. In
  3. Golven
  4. Rechte Lijn
  5. Om
  6. Tussen
  7. Aan
  8. Hoog
  9. Raak
  10. Onder
  11. Lijkt Op
  12. Stap

We zijn nog bezig met het formaat van dit pagina.

14 OP

  1. Iedereen zit in een kring, op een stoel. De leider staat op een krukje. Zing een lied. Waar zou dat beter gaan: Op een stoel of op een kruk? Ja, op een kruk, dan sta je.
  2. Kinderen mogen op de schoot van hun moeder gaan zitten. Hoeveel kinderen passen op de schoot van die moeder? Tel ze in de land taal en in de moedertaal van de kinderen.
  3. Kan jij deze (blauwe) bal op schoot houden? En op de tafel? Waarom is dat moeilijker? De bal is rond! Laat iedereen even voelen.
  4. Beschrijf samen 5 voorwerpen (emmer, krukje, doos, papiertje, potlood.) Geef elk groepje deze voorwerpen. Ga die dingen opstapelen. Welk groepje kan er de hoogste toren mee bouwen?
Zingen, verhaaltje of voorleesmoment.
  1. Nodig: vellen papier met daarop getekend: een muur, een tak van een boom, een auto, een stoel, een hoofd. Iedereen mag één vel pakken en de opdracht is: teken er iets OP ( hoofd met hoed, tak met vogel, stoel met kind). Praat erover terwijl de deelnemers bezig zijn. Als ze klaar zijn met het ene papier mogen ze de volgende pakken. Schrijf de namen op het papier.
  2. Laat de kinderen een hoed maken.
  3. Een lied over “op.” Een voorbeeld in ‘t Nederlands: Deze vuist OP deze vuist en zo ga ik naar boven.

Tot slot:  Iedereen gaat op de stoel in de kring zitten om het slotlied te zingen.

Leg iets voor de deur waar de kinderen niet OP mogen lopen. Iedereen gaat er netjes omheen als ze weer naar buiten gaan.


15 IN

  1. Iedereen krijgt een klein dingetje wat hij niet aan de anderen mag laten zien. (kraaltje, potloodje, gummetje, steentje, veertje, propje papier)

Leg uit dat je het verstopt IN je handen. Laat iedereen er twee dingen over zeggen ( het is rood en je hebt het nodig om een ketting te maken, het is van hout en je kunt er mee kleuren, het voelt zacht en eerst was het van een vogel) probeer te raden wat het is.

  1. Laat eerst de inhoud van een doosje zien, de kinderen mogen niet verklappen wat erin zit.

Verf een doos met iedere kant een andere kleur. Erin zit een handpop. Hij komt er pas uit als alle kleuren goed benoemd zijn. de leider spreekt door de pop.

– wat een mooi doosje is dat. Weten jullie wat erin zit?

– jaaaa

  • – willen jullie het vertellen?
  • – neeee
  • -is het zo groot als deze stoel?
  • -neeee
  • Enzz net zolang tot de pop het geraden heeft.
  • Zingen, verhaaltje of voorleesmoment, zingen, bidden.
  • Iedereen tekent een ding waar iets IN past. (huis, emmer, doos, hok, auto)
  • De tekening wordt daarna aan een ander gegeven, diegene tekent op een ander papier wat je ERIN kunt doen.(mens, stoel, water, kikker)
  • Zorg voor materiaal om een hut te maken. De kinderen kunnen er IN.
  • Kunstje.. kan je je duim IN je vingers doen?

 

Na het lied krijgen de kinderen een snoepje, dit moeten ze IN de mond doen.

 

16 GOLVEN

  1. Zing een lied. Wijs er op dat je stem omhoog en omlaag gaat bij het zingen. Neurie een toon die omhoog en omlaag gaat. \Maak er golfbewegingen in.
  2. Leg een doek op de grond. Met kreukels. Wijs erop dat de doek omhoog en omlaag gaat. Wie kan het mooi neerleggen?
  3. Een slang glijdt met golfbewegingen. Wie kan met zijn hand mooie golfbewegingen maken?

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment.

  1. Iedereen krijgt een vel papier en een potlood. Maak golfpatronen op papier. Teken erbij wat het is. (slang, water, vlag, doek.)
  2. Maak van tevoren deeg klaar. Iedereen maakt van deeg een lange rol, maakt er golfpatronen van. Leg het op een bakplaat. Bak het thuis.
  3. Geef iedereen een touwtje. Leg het in golfpatroon op het papier en lijm het vast. Volg met je vinger de draad en voel het goed.
  4. Schrijf met de vinger golfpatronen op een ander zijn rug.

Zing tot slot een lied.

De groep maakt een lange rij en die rij kronkelt in een golfpatroon naar buiten.

 

17 RECHTE LIJN

 

  1. Teken twee rechte lijnen met krijt op de grond. Speel met de kinderen het spel OP de STREEP , naast de STREEP. ( zeg op de streep, naast de streep, de kinderen moeten op de goede plek staan. )
  2. Er zijn een aantal touwtjes. Laat zien dat je ze strak kunt trekken. Dan is het een RECHTE LIJN. Geef iedereen een touwtje. Als je de touwtjes strak trekt, en het ene touwtje naast de andere vasthoudt, zodat ze samen een lange rij vormen, hoever kan je dan komen? Schat in of je van hier naar de deur komt. Probeer het uit.
  3. Maak groepjes van 4 personen. Iedereen heeft een touwtje. Elk groepje moet in de goede volgorde gaan staan. Degene met het kortste touwtje voorop, dan degene met een iets langer touwtje enz. Laat de studenten zelf bedenken hoe je kunt meten. Iedereen houdt zijn touwtje strak voor zich, zodat het te zien is.

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

 

  1. Teken een huis. Let op de rechte lijnen. Teken een boom. Heeft die ook rechte lijnen?
  2. Welke naam heeft een letter met rechte lijnen? H, i, l, v. Andere letters hebben een rechte lijn erbij. R, n, p. Schrijf de letters met rechte lijnen. (als de feestgangers het leuk vinden en eraan toe zijn.)
  3. Rondje rijmwoorden. Noem een woord. Om de beurt mag iedereen een woord noemen wat daarop rijmt. We gaan de kring rond. Let erop dat je het in ieder geval ook in de moedertaal doet.
  4. 4 kinderen mogen alleen in rechte lijnen lopen. Ze mogen wel hoeken maken, maar niet botsen. Als ze mogen beginnen, klinkt een trom. Bij een bepaald signaal gaan ze naar buiten.

 

 

 

18 OM

 

  1. Aan het begin van het feest krijgt iedereen een draadje. Doe het OM je pols.
  2. Steek een vinger uit, draai met een andere er OMHEEN.
  3. Vertel van een mug die OM je hoofd vliegt. Maak het geluid. Kies een feestganger uit. Hij maakt ook het geluid van een mug, maar op een andere toonhoogte. Laat horen hoe ze samen klinken. Nu mogen een x aantal feestgangers vooraan gaan staan. De anderen hebben hun ogen dicht en luisteren hoeveel muggen er zijn. (auditieve analyse)
  4. De feestangers maken een rij en houden elkaars hand vast. Aan het eind staat iemand die groot en stevig is. Dat is de boom. Zing De boom die wordt hoe langer hoe dikker. Ondertussen draait de rij zich OM de boom, die steeds dikker wordt.

 

Verhaal, voorlezen.

  1. Deel vellen papier uit met 5 stippen, op afstand van elkaar. De feestgangers tekenen er een rondje OMHEEN. Daar komt weer een rondje OMHEEN in een andere kleur, en zo voort, zodat de stip steeds dikker wordt.
  2. Maak voor iedereen een band van papier. De feestganger mogen het versieren. Niet hem vast, zodat het OM het hoofd past.
  3. Kies een object wat er duidelijk van verschillende kanten anders uitziet.

Bijvoorbeeld een rechthoekige doos met op alle zijkanten iets anders getekend. Loop er allemaal OMHEEN. Kijk er goed naar. Nu mag een iemand eromheen lopen en beschrijven wat hij ziet. (visuele analyse, perspectief)

  1. Iedereen maakt een rondje van duim en wijsvinger en doet dat OM de neus. En zo gaan we naar buiten.

 

19 TUSSEN

 

  1. Iedereen noemt tussen wie hij in zit.
  2. Leg veel kleine dingen op de grond. Ze liggen door elkaar heen. Iedereen kijkt goed. Een voor een is iedereen aan de beurt. Hij zegt: het ligt tussen dit en dat. De anderen raden wat het is. Wie het weet, steekt zijn vinger op. Hij zegt het als zijn naam genoemd wordt.
  3. Zet twee kartonnen dozen op elkaar. Leg er een papiertje TUSSEN. Hoeveel papiertjes passen er TUSSEN?

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment.

 

  1. Iedereen krijgt een vel papier met daarop een paar woorden geschreven met drie letters, medeklinker, klinker, medeklinker. Bespreek ze. Iedereen mag op zijn vel een kring om de letter zetten die ertussen staat.
  2. Zeg nu alleen de woorden, laat de feestgangers de klank zeggen die ertussen klinkt.
  3. Iedereen krijgt een klein papiertje met een woord erop geschreven. Probeer op een originele manier het papiertje TUSSEN de vingers of handen te houden. (tussen de ruggen van de hand, tussen de polsen, tussen duim en wijsvinger…)
  4. Noem twee namen, degene die ertussen zit mag naar buiten.

 

20 AAN

  • Schrijf het woord duidelijk zichtbaar in de moedertaal.

 

  1. Iedereen krijg een touwtje. Bind dat AAN de stoelpoot vast.
  2. Leg een aantal dingen neer waar iets AAN zit. (een emmer met een hengsel, een kop met een oor, een fietspomp met een slang, een pan met een handvat, een kam met tanden…)

Bespreek alles. De partygangers mogen een ding beschrijven. Wat is het?

  • Laat een moeder het uitleggen in de moedertaal. De kinderen gebruiken deze taal ook bij het beschrijven. De moeder luistert of het klopt.)

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment.

  1. Een streep met een rondje eraan. Alle deelnemers krijgen een streep en een rondje van karton. Leg ze aan elkaar. Schrijf op het bord een letter. P, o, d, b, q, O. Iedereen probeert ze na te leggen.
  2. Deel een vel met heel veel letters uit. De deelnemers mogen een kring om elke letter zetten die bestaat uit een streepje met een rondje ERAAN.
  3. Knutsel een mooie hanger voor AAN een ketting.
  4. De deelnemers pakken iemand bij de hand en lopen zo met iemand AAN de hand naar buiten.

21 HOOG

  1. Iedereen laat zien hoe hoog hij kan reiken.
  2. Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is hoog. (zorg dat er iets is.)
  3. Als je ergens op staat, ben je hoger. Wie kan het voordoen? Als iemand op je nek zit is hij HOGER. Wie kan het voordoen?
  4. Glazenwasser, kersenplukker, dakdekker, lantarenpalenmaker, boomsnoeier, slingersophanger, afficheopplakker enz. Iemand doet de pantomime, de groep raadt.

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment.

  1. Teken iets wat hoog is. (vliegtuig, maan en sterren, vogel, wolken)
  2. Maak samen een slinger en hang die HOOG in het lokaal.
  3. Iedereen pakt zijn denkbeeldige ladder en loopt ermee naar buiten.

 

22 RAAK

  1. Iedereen probeert in een keer met het topje van zijn wijsvinger het puntje van zijn neus aan te raken.
  2. Nu doen we het met onze ogen dicht.
  3. Degene die leiding heeft, noemt lichaamsdelen. Iedereen raakt het bij zichzelf aan. Noem steeds onbekendere dingen. (hand, mond, voet, heup, grote teen, dijen, sleutelbeen, stuitje)
  4. Als het spelletje bekend is, krijgt een moeder de leiding, zij noemt de lichaamsdelen in het Romani. Maak er een wedstrijdje van: noem de lichaamsdelen steeds sneller, wie blijft het goed doen?

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

 

  1. Balspelletje (misschien doen we dit buiten) We maken een doel. Een voor een mag iemand proberen in het doel te schieten. (gooien met een basketbal, sjoelen, binnen gooien met een klein balletje in een emmer enz.)
  2. We maken allemaal hele kleine rondjes op papier. De buurvrouw probeert met een potlood in een keer de binnenkant te raken. Maak er daarna een bloem van.
  3. Raak iemand met de hand. Of raak iemand met de bal. Wie af is, gaat naar buiten.

Kleine kinderen: Klap in je handen, of op je moeder haar hand.

23 ONDER

  1. De leiding gaat met een voet naar voren staan. ONDER mijn voet is een rood papiertje. Er staat een letter op. Noem een aantal dingen die met dezelfde letter beginnen. Welke letter is het?
  2. Geef iedereen een papiertje met een letter. Help, zodat iedereen weet welke letter hij heeft en wat ook met die letter begint. Doe het zo mogelijk in de moedertaal. Een voor een mag iemand op het podium gaan staan met zijn voet vooruit. Eronder is het papiertje met de letter. Hij noemt woorden die met die letter beginnen, de anderen raden welke letter het is.
  3. Zeg: mijn linkerhand is onder mijn rechterhand, mijn voet is onder de stoel, mijn neus is onder mijn mond, mijn oor is onder mijn duim enz. Iedereen probeert het te doen.

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

 

  1. Deel een kleurplaat uit. Het is een vijver. Apart krijgen de mensen visjes, waterplanten, een bootje, eendjes… Die worden uitgeknipt en op de kleurplaat geplakt.
  2. Deel een vel met 2 vierkantjes uit. Boven tekent iedereen een voorwerp. Dan gaat het papier naar een ander. Diegene tekent iets wat erop rijmt eronder.
  3. Vertel het verhaal van een zaadje. Iedereen krijgt een bakje met aarde en een zaadje om onder de grond te stoppen. Verzorg het goed.
  4. Geef een vel met letters. Ook een lijn, waar sommige letters onder komen. Teken een lus op het bord. Zet een rode kring om de letter die een lus onder de lijn heeft. Zet een blauwe kring om elke letter die een streep onder de lijn heeft.
  5. Verdeel de groep in tweetallen. Ieder tweetal krijgt een lap textiel en een aantal kleine voorwerpen. Om de beurt mag de ene een aantal voorwerpen ONDER de lap stof leggen. De ander kijkt goed. Wat er voor voorwerpen onder het textiel liggen en in wélke volgorde ze er liggen. Als hij aangewezen wordt, mag hij het vertellen. De lap stof wordt weggehaald en we kijken of het klopt.
  6. Zet een tafel voor de deur. Iedereen die wil mag onder de tafel door kruipen en zo naar buiten gaan.

Kleine kinderen: Ga onder de stoel zitten.

 Boven-onder

De bovenste, de onderste

 

  1. Geef opdrachten aan de groep. Om de beurt mag er een persoon de opdracht uitvoeren

– leg …op tafel

– ga onder de tafel zitten

– leg … bovenop de kast

– teken een bloemetje boven de letter op het bord.

– teken een vogeltje onder de letter.

 

  1. Laat een plaat zien met veel dingen erop. Bespreek wat boven iets anders is en wat er onder ligt.
  2. Geef iedereen een vel papier. Ga zo staan dat dit vel papier onder je is.

Doe net alsof het vel papier waar je op staat een gat in de grond is.

Val er in.

Wat voor een gezicht trek je erbij?

Hoe kijkt iemand die schrikt?

 

Heb je je zogenaamd pijn gedaan?

Wat zeg je tegen iemand die zich pijn gedaan heeft?

Wat doe je dan?

Wat doe je als er iemand bloed heeft?

Waarom? ( geef een lesje ziekenverzorging en hygiene)

 

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

 

  1. Teken een ladder. Knip hem uit. Teken drie poppetjes. Knip ze ook uit. Plak op een ander vel papier de ladder, een poppetje beneden, een in het midden en een bovenaan.
  2. Maak een muizentrappetje.
  3. Maak een kubus

– kleur de bovenkant geel

– kleur de onderkant rood

– schrijf je naam op de voorkant

– plak een sticker op de achterkant

– teken een figuurtje op de ene zijkant

En een ander figuurtje op de andere zijkant.

 

  1. Teken de zon in de lucht.

Teken het water beneden aan de tekening.

Teken een huisje.

Boven het huisje vliegt een vogel.

Teken een auto.

Onder de auto is de weg.

  1. Als je ver weg tuurt, doe je je hand boven je ogen. Doe dat voor. Je doet dat vooral als de zon anders in je ogen schijnt. Iedereen doet dit na, tuurt in de verte en gaat zo naar buiten.

24 Lijkt op

  1. De leidster heeft een hoed op. Nu lijkt ze op een meneer, maar ze is het niet. In een kist zitten meer voorwerpen. De feestgangers mogen er om de beurt een uitzoeken en de goede bewegingen maken. De anderen raden. Noem hoe het voorwerp heet, hoe de persoon heet en het lijkt op. (fles, wasmand, autosleutel, spitvork, pan en lepel)
  2. De aanwezigen worden in twee groepen verdeeld. Om de beurt mag er iemand voor de groep staan. Hij zegt een woord luid en duidelijk. De volgende bedenkt een woord dat er op lijkt, maar toch iets anders is, een rijmwoord. Hij loopt naar voren en zegt het luid en duidelijk. Welke groep houdt het het langst vol?
  3. Iemand gaat in een typische houding staan of zitten. (armen omhoog en mond open/zitten op een stoel met de benen recht naar voren)Een ander kopieert dit, maar maakt een verschil. (armen omhoog en mond dicht/ zitten op een stoel met de benen recht naar voren, maar hij trekt aan zijn oor) Wie het verschil ziet, mag nu iets bedenken.

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

  1. Deel een vel papier uit met een heleboel letters erop. Bespreek dat sommige letters op elkaar lijken. Bespreek het verschil. Omcirkel de letters met dezelfde kleur die op elkaar lijken. (m,n,r / o p b / l i / c, o,/ v,w )
  2. Zoek de 10 verschillen. (werkbladen op internet te vinden)
  3. Ieder groepje krijgt een heleboel papiertjes. Ze hebben verschillende vormen en kleuren. De groep gaat ze sorteren. Ze lijken op elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde. (rondjes/ ovalen, rechthoeken/vierkanten, driehoek met rechte hoek/ andere driehoek, rood/oranje, lichtblauw/donkerblauw)
  4. Zing twee liedjes die op elkaar lijken. Iedereen loopt in de maat naar buiten.

Kleine kinderen: Niet geschikt.

25. STAP

  1. Iedereen zit met de ogen dicht. Er klinken voetstappen. Wat zou dat zijn? Zware – beer, licht – kind, getrippel – muisje, mank- de buurvrouw enz.
  2. De groep wordt verdeeld in tweetallen. De voorste loopt, erachter loopt iemand die zijn voeten precies zet waar de voorste ze zette. Houd rekening met elkaar!
  3. Met zijn tweeën heb je 4 benen. De achterste pakt de voorste bij de middel. Speel een paard na.

Zingen, verhaaltje of voorleesmoment

 

  1. Doop de toppen van wijs en middelvinger in de verf. Loop ermee over een papier heen. Je laat een spoor na. Een ander loopt met een andere kleur een ander weggetje. Teken nu waar ze naartoe gingen.
  2. Geef iedereen de letters van het woord stap. Leg ze in de goede volgorde.
  3. Iedereen krijgt een papier waarop alleen voeten zijn getekend. (blote kindervoetjes, modderige mannenlaarzen, slippers) Teken de hele persoon erbij. Noem wat erbij deze mensen hoort.
  4. Verdeel de groep in tweetallen. Of laat iedereen bij zijn moeder gaan staan. De ene doet zijn handen voor zijn ogen. De ander gaat lopen. De een volgt hem, hij gaat het geluid achterna. Wijs telkens een koppel aan dat mag gaan lopen. Als er meerdere tegelijk lopen, moet je goed luisteren om te kunnen volgen.
  5. Zing een lied, we stappen in de maat. (een trommel geeft de maat aan)Na een paar liedjes stappen we naar buiten.

Kleine kinderen: Loop achter je moeder aan. Draai om en je moeder loopt achter jou aan.