Ouder-Kind Club #1-13

Deze activiteiten zijn ook beschikbaar in het Engels  en het Romeens ro_ro

  1. Hallo, Mijn Naam Is . . .
  2. Klein–Groot
  3. Zacht–Hard (Gevoel)
  4. Hard–Zacht (Geluid)
  5. Glad—Ruw
  6. Dik–Dun
  7. Licht–Zwaar
  8. Kort–Lang
  9. Twee
  10. Hetzelfde
  11. Weg (Zoek)
  12. Waar?
  13. Tot De Lijn

We zijn nog bezig met dit gedeelte.

1 Hallo, Mijn Naam Is . . . .

Kennis-making activiteiten. Nog niet vertaald.


2 Klein-groot

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1. Klein. Geef iedereen een heel klein snoepje. Praat over kleine snoepjes en grotere snoepjes. Nodig:  kleine snoepjes voor iedereen.

2. Grote en kleine stapjes. Loop met kleine stapjes naar de overkant. Vraag wie heeft de meeste stapjes Loop met zo groot mogelijke stappen naar de overkant. Vraag wie heeft de minste?

3. Maak jezelf groot of klein. Iemand gaat voor het bord staan met wijde benen. Op het bord komt een streepje hoe groot hij is. Hij gaat nu staan met de benen bij elkaar. Is hij groter? Je kan ook een ander met een meetlint ernaast laten meten hoe groot hij precies is. Vraag wie weet hoe hij zich heel klein kan maken? En hoe kan je heel groot zijn? (ergens op gaan staan, op stelten lopen, iemand tilt je op).

4. Grote en kleine papierjes. Iedereen krijgt een strookje papier van verschillende maten. Erna ga op de goede volgorde van de papiertjes staan, van klein naar groot. Noem ook de kleinste, de grootste, even groot. Nodig:  strookjes papier in verschillende maten voor elk deelnemer of elk ouder en kind. Als er geen papier is, gebruik iets anders zoals bladeren, takken, steenjes . . . zolang als zij in verschillende maten zijn.

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.

Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

Nodig:  papier en potlood voor iedere kind.

5. Teken grote en kleine rondjes. Iedereen krijgt een vel papier. Hij tekent daarop rondjes van verschillende grootte. Bespreek groot en klein. Als vingers Nu volgen er opdrachten:

  • Doe je pink op een klein rondje en je duim op een grote.
  • Doe twee vingers op twee rondjes die even groot zijn.
  • Doe een andere vinger op een groot rondje en je duim op een rondje dat veel kleiner is.
  • Als je handen niet groot genoeg zijn, kan je ze allebei gebruiken.
  • Je mag het ook samen met je moeder doen.

Variatie:  Ouders geven ook opdrachten, in de taal die ze thuis spreken.

Variatie: Als vingers hebben aparte namen, bespreek die namen en gebruik hun (wijsvinger en middel vinger op twee rondjes die even groot zijn; ringvinger op een groot rondje en duim op een rondje dat veel kleiner is . . .).

6. Teken groot en klein.Iedereen krijgt een vel papier en een potlood. De leider geeft opdracht om te tekenen (dingen die in de omgeving echt te zien zijn!). Bijvoorbeeld:

  • Een grote boom; en kleine struik.
  • Een grote koe; een klein kalfje.
  • Een groot hek. Een kleine vogel. E
  • en grote molshoop; een kleine molshoop. Enz.
  • Of een grote flat; een klein huis met een grote deur.
  • Een grote vrachtwagen; een kleine auto.
  • Een grote wolk in de lucht; een klein wolkje in de lucht. Een klein vliegtuig hoog in de lucht.

Aan de bovenkant en de onderkant van elk vel tekent iedereen een randje (voorbereidend schrijfoefeningen). Iedereen mag zijn vel mooi inkleuren. Leg of prik alle vellen naast elkaar. Praat over hoe iedereen doet het anders, op zijn eigen manier. Samen wordt het mooi. Iedereen is anders en zijn bijdrage maakt het geheel mooier.

7. Vraagstuk: je moet iets aan het huis schoonmaken of repareren en je bent te klein. Hoe kom je er toch bij?

9. Praat tegen groot en klein. Praat zogenaamd tegen iemand. De groep geeft aan tegen wie het is en tekent die persoon:

  • baby
  • peuter
  • kleuter
  • 6-12 jr.
  • puber voordat hij gaat trouwen
  • volwassene
  • oude van dagen

Bespreek dat je tegen iedereen op een andere manier praat. Vertel in een groepsgesprek wat je de ideale leeftijd lijkt. Doe dit in de moedertaal indien van toepassing. Wat je zegt en hoe iemand van een bepaalde leeftijd leeft, is cultuurafhankelijk.

10. Drie maten. Zet drie tafels neer, een grote een kleine en een middelste of leg 3 matjes op de grond, een grote, middelste of kleinste.

  • Zeg groot, en alle mensen gaan bij een grote tafel staan; zeg klein, en alle mensen gaan bij een kleine, enz.
  • Later kan je de groep verdelen in jongens en meisjes, kinderen en volwassenen . Twee leiders geven opdrachten. Let op dat je niet botst.

Afsluiting: Zet bij de deur een groot ding en een klein ding. Iedereen mag achter het ding gaan staan welke hij het leukst vindt. Maak een rij achter elk ding. Tel de mensen en zeg welke rij langer is. Eerst mag de ‘kleine’ rij naar buiten, dan de ‘grote’ rij.


3 Zacht-hard (Gevoel)

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1. Maak een bak met droog zand (zacht) en een bak met vochtig zand (hard). Iedereen mag voelen met zijn ogen dicht. Leid de hand naar een bak, hij weet niet of het hard of zacht zand is. Zeg wat het is.

2. Schoon textiel is zacht, vies is hard (moddervlekken). Laat een voorbeeld zien, een kleedje of een blouse.

Kring gesprek: – Waar worden je kleren vies van? (per cultuur verschillend)

  • – Wat vind je van vieze kleren?
  • – Als je iets poetst met een doek wordt de keuken /vloer schoon, maar de doek vies.
  • – Hoe komt het dat de doek vies wordt?
  • – Vertel iets over bacteriën
  • – Hoe maak je de doek of de kleren weer schoon?

3. Pantomime; iemand doet de was, vanaf het begin tot de was ophangen zonder woorden, alleen met gebaren. (Hoe je de was precies doet is per cultuur verschillend.) Bij het schuimen van de zeep doet zij overdreven dat het zo zacht is. De groep raadt wat het is.

4. Aaien is zacht, slaan is hard. Doe het voor op tafel. Aait je moeder wel eens over je hoofd? Wanneer vind je dat fijn?

  • – als je naar bed gaat.
  • – als je verdrietig bent.
  • – als je moet huilen omdat je pijn hebt.
  • – als je weg gaat.
  • – als je weer terugkomt.

5. Als kinderen vechten aaien ze elkaar niet, maar slaan ze juist heel hard. Dat is niet fijn. Heb je wel eens gezien dat kinderen vochten?

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.

Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

6. Knutsel een zacht dingetje, bijvoorbeeld een pompoen of een stukje textiel aan een touwtje. Daar kan je lekker mee voelen.

7. Maak een doosje (hard) waar je zachte dingen uit de natuur (pluisballen) in bewaart.

8. Maak kleine tekeningetjes over de was doen. Maak ze van tevoren en laat de groep ze inkleuren OF laat de groep ze tekenen.  (Hoe je de was precies doet is per cultuur verschillend. Maar misschien tekeningetjes zoals emmer pakken, water erin doen, zeep erin doen, kleren wassen, kleren spoelen, kleren wringen, kleren ophangen, kleren vouwen, kleren opbergen.) Schud de tekeningetjes door elkaar. Deelnemers leggen ze op de goede volgorde.

9. Maak een voelzak met harde en zachte dingen erin. Wie erin wil voelen, moet eerst zijn handen wassen. Doe dat voor.

Afsluiting:  Iedereen aait zacht over zijn eigen hand en loopt zo naar buiten.

 


4 Hard/Zacht (Geluid)

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1. Wie weet hoe hij een hard geluid kan maken? En een zacht geluid? Doe het om de beurt voor.

2. Telefoonspel.  Zit of sta in een cirkel. Fluister een woord in iemands oor. Ze fluisteren het aan de volgende persoon, in de buurt van de cirkel. Is het woord van de laatste persoon hetzelfde als dat van de eerste persoon?

3. Zing een paar liedjes. Klap het nu na. Lettergrepen die de nadruk krijgen, klap je hard, andere lettergrepen zacht. Wie hoort welk lied het is?

4. Iemand zit in het midden met de ogen dicht. De leider wijst iemand aan. Hij gaat zo zacht mogelijk achter hem staan. Na een tijdje mag degene die zit zeggen hoeveel het er zijn. Klopt dit?

5. Iedereen staat verspreid in het lokaal met de ogen dicht. De leider zingt een lied en loopt tussen de mensen van de groep door. Hij is steeds ergens anders. Als hij stopt met zingen, wijst iedereen aan waar hij is. Iedereen doet de ogen open om te kijken of hij het goed heeft.

6. Groepsgesprek: van een onverwacht hard geluid kan je heel erg schrikken. Wie heeft dat weleens meegemaakt?

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.

Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

7. Geef iedereen (of iedere ouder-kind groepje) 12 kleine papiertjes en een potlood of kleurjes. Laat ze teken op 6 papiertjes verschillende dingen die een zacht geluid maken en op 6 papiertjes dingen die veel lawaai maken. Wat dat is is per situatie verschillend.

Iedereen ruilt hun papiertjes met hun buren. Doe de zachte geluiden in een stapel; de harde in een andere. Praat erover. Misschien denken “de buren” anders over hard en zacht geluiden.

8. Iemand stelt zich verdekt op en maakt een hard of zacht geluid. De anderen raden wat het is.

9. Kies een dans die bij de groep gedanst wordt. Bij de meeste dansen komt voor dat mensen klappen of stampen of een geluid maken. Leer die dans met de groep.

Afsluiting: Bedenk heel veel dingen/dieren die een geluid maken. Noem een ding. Wie het juiste geluid weet te maken, mag gaan (wijs iemand aan als er meerdere zijn.)


5 Glad-ruw

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1. In een doos is iets wat glad is en iets wat ruw is. Leid de handen van de mensen ernaartoe. Ze zien het niet, maar voelen het verschil.

Wat is het verschil tussen wat je voelt? Het ene is….. en het andere is……

2. Groepsgesprek: noem iets wat glad is en iets wat ruw is. (verschilt per cultuur)

3. Noem de naam van een kleine baby die de groep wel kent. Bespreek hoe glad zijn wangen zijn. Noem nu de naam van iemand die zich niet graag scheert. Zijn kin is ruw.

4. Verzamel 10 lapjes van ongeveer dezelfde grootte, maar de een is gladder en de andere ruwer. Een groepje mag de lapjes op de goede volgorde leggen, van glad naar ruw. Als de groep groot is, maak dan verschillende groepjes met elk een pakketje lapjes.

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.

Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

5. Iedereen tekent een activiteit waar je handen of je gezicht ruw van worden. Wat dat is is per situatie verschillend (was doen, op het land werken, buiten dingen verkopen, handenarbeid).

6. Schattenjacht. Verdeel de groep in kleinere groepen van drie, vier of vijf. Elke groep zoekt in het klaslokaal naar minstens drie dingen die zacht aanvoelen en drie dingen die ruw aanvoelen. Vervolgens deelt elke groep wat ze hebben gevonden met de grotere groep. (Opmerking: u kunt dingen van tevoren in de klas verstoppen. Of de groepen kunnen dingen vinden die ze niet kunnen ophalen, bijvoorbeeld als de muur ruw is.)

7. Maak  schuurpapier met zand en lijm. Gebruik stijf papier; lijm eroverheen; verspreid zand over de lijm; laat drogen. Iedereen schuurt een houtje. Het schuurpapier is ruw en het hout wordt glad.

8. Maak van de latjes een tafel of een vogelhuisje of iets anders wat in de cultuur past.

9. Als je op blote voeten loopt, worden ze ruw. Bekijk je voetzolen. Hoeveel tenen heb je? Aan de ene voet vijf en aan de andere voet vijf. Welke tenen lijken op elkaar? Hebben verschillende tenen verschillende namen? Zo ja, hoe heten ze? Hoe verzorg je je voeten? Nagels knippen, wassen. Wat gebeurt er als je door iets loopt wat vies is? Let op: Vraag wel voor die tijd of dit mag. In sommige culturen is het niet toegestaan om naar de voeten van anderen te kijken.

Afsluiting: Ga op volgorde staan. Kleine voeten eerst en de voeten worden steeds groter. Loop in een lange rij naar buiten.


6 Dik–Dun

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1.  Papieren mannetjes–dik en dun. Nodig: Maak 2 silhouetten van papieren mannetjes, een dunne en een dikke. Ook nodig: fel licht. Papier en schaar voor elk ouder-kind. Misschien ook twee boeken of blokken hout, één dik en één dun.

Schijn met een felle lamp op een schoolbord of vel papier. Houd de dunne papierpersoon voor het licht en vervolgens de dikkere, bredere persoon. Praat over de verschillen tussen ‘dun’ en ‘dik’. Bespreek het verschil tussen vriendelijk plagen en pesten als dikke kinderen of magere kinderen gepest worden. Pesten is geen goede zaak om te doen. Het zorgt ervoor dat de gepestte zich slecht voelt.

Mag herhalen met de boeken of blokken hout. Laat de kinderen roepen welke “dik” is en welke “dun” is. Ouders en kinderen kunnen om de beurt “dikke” en “dunne” schaduwen maken.

Laat iedereen zijn eigen twee papieren mensen uitsnijden – één dik en één dun. Zorg ervoor dat ouders kinderen helpen die misschien niet weten hoe ze met een schaar moeten omgaan. Zorg ervoor dat de kinderen zichzelf niet snijden.

Leerdoelen/wat we ervan opsteken:

  • Samen plezier hebben vermindert stress.
  • Als de fijne motoriek van de kinderen voldoende ontwikkeld is, kunnen ze hun eigen papieren mensen maken en verwijderen. Het gebruik van een schaar is voorbereiding op schrijven.
  • Woordenschat: dik en dun; vet en slank.
  • Samen werken maakt deel uit van sociale ontwikkeling.
  • Sociale ontwikkeling: discussie over plagen en pesten.

2. Vet eten. Leg vijf verschillende soorten voedsel (of foto’s van die voedingsmiddelen) die bekend zijn bij de groep. Bespreek hoe het eten van één soort voedsel niet gezond is. Als je te veel van dit of dat eet, word je te dik  (pasta, snoep, vette dingen). Als honger een probleem is in de gemeenschap, zorg er dan voor dat mensen het voedsel dat je hebt meegenomen kunnen eten.

Samen praten over wat een uitgebalanceerd dieet maakt. Gebruik een voedingsgids zoals ‘de schijf van 5’, MyPlate, de voedselpiramide, etc.
Leerdoelen/wat we ervan opsteken:
  •      Praten over concepten zoals porties is voorbereiding op wiskunde.
  •      Woordenschat: voedingsmiddelen en voedselgroepen.
  •      Leren hoe je gezond kunt blijven.yellow

3. Leg een heleboel stokjes van verschillende dikte in een doos. Iedereen mag een dikke en een dunne uitzoeken. Misschien moeten sommigen even ruilen voordat iedereen een dikke en een dunne heeft. Trek de stokken op een stuk papier. Verander dit in een tekening.

4. Een zaad van een peulvrucht wordt eerst steeds dikker als je er water bij doet, daarna komt er een wortel uit en gaat het groeien.

Iedereen krijgt een potje met aarde en een zaad. Leg het zaad op de aarde en maak het zand vochtig. Zet de naam van de eigenaar op het potje. Daarna geef je het mee naar huis of je kweekt het in de gemeenschapsruimte verder op. Introduceer het idee van een yellowgroentetuin. Bespreek wat je met de planten moet doen als de zaden eenmaal zijn ontkiemen.

OF Iedereen krijgt een doorzichtige plastic beker (of pot), watten en een paar groentezaden. Vraag de kinderen het katoen te bevochtigen als aarde voor het zaad en stop het in de beker (of pot). Dan kunnen ze hun zaden op de “bodem” leggen. Help de kinderen hun namen in hun eigen “pot” te schrijven.

Leerdoelen/wat we ervan opsteken:

  • Woordenschat. Kan namen van plannen en plantendelen bevatten: wortels, stengels, bladeren, knoppen, bloemen. 
  • Volgorde van gebeurtenissen bereidt zich voor op wiskunde.
  • Praten over wat je kunt doen om je eigen leven te verbeteren.
  •  Leg uit waarom het belangrijk is om groenten te eten.

5. Groepsgesprek:  Laat iedereen aan een lege portemonnee voelen, die is dun. Hoe kan je de portemonnee dik maken? Meer geld erin stoppen. Hoe kom je aan geld? Verdienen. Waarmee? Dat is afhankelijk van de situatie.
Introduceer het begrip sparen.

Leerdoelen/wat we ervan opsteken:

  •      Woordenschat
  •      Mogelijke sociale ontwikkeling: stelen, bedelen, verdienen, krijgen.
  •      Besparingen bereidt zich voor op wiskunde.
  •      Praten over wat je kunt doen om je eigen leven te verbeteren.
Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.
Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

6. Maak een houtvuur. Je begint met aanmaakhoutjes, dunne takjes die gemakkelijk vlam vatten. Daarna vatten de dikke taken vlam, maar die kunnen heel lang blijven branden. Deze activiteit moet op een veilige plaats worden uitgevoerd!

Leerdoelen/wat we ervan opsteken:

  • Woordenschat.
  • Volgorde van gebeurtenissen bereidt zich voor op wiskunde.
  • Persoonlijke veiligheid: wees voorzichtig rond vuur, het is heet. Je zou jezelf erop kunnen branden.
  • Gezondheid: wat moet je doen als iemand zichzelf brandt?

yellow7. Iedereen krijgt een papiertje met een portemonnee erop. Teken de centjes die erin moeten om hem dik te maken. Eventueel kan je die op ander gekleurd papier tekenen en uitknippen. Teken ook wat jij de moeite waard vindt om voor te sparen.

  • Tekenen bereidt zich voor op schrijven.yellow
  • Iedereen mag zelf beslissen wat zij belangrijk vinden.
  • Geld besparen bereidt zich voor op wiskunde en voor het leven!

8. Teken drie dieren een magere een dikke en de dikste van de drie.

  • Tekenen bereidt zich voor op schrijven.
  • Gebruik je verbeeldingskracht: wat vind je leuk om te tekenen?
  • Woordenschat.
  • Vet, midden en dun bereidt zich voor op wiskunde.

9. Wikkel touw om een stokje heen, heel dik. Vouw er een lap omheen en je hebt een pop.

  • Wikkelstreng om een stick ontwikkelt fijne motoriek en bereidt zich voor op schrijven.    
  • Een pop maken, betekent gebruik maken van je verbeeldingskracht.
  • Praten over hoe je je eigen speelgoed kunt maken van wat er beschikbaar is, ontwikkelt nadenken over wat je kunt doen.

10. Teken een hoofd, plak het op een sate prikker of een takje. Bespreek de verschillende aankleding van de hoofden die om de groep heen te zien zijn (pet, hoofddoek, baard, snor, paardenstaart).

  • Inzicht in wat normaal is in je eigen cultuur.
  • Woordenschat.    
  • Tekenen bereidt zich voor op schrijven.

Afsluiting: Wie kan met zijn handen een dikke buik maken? Als je wil, gebruik het getekende hoofd op een stokje (activiteit #10) om het mannetje af te maken. Loop ermee naar buiten.


7 . Licht—Zwaar

 Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.  

1. Pantomime. Iemand beeldt een persoon uit die iets zwaars tilt. Een ander beeldt een persoon uit die iets lichts tilt.

2. Groepsgesprek: wat is iets lichts en wat is iets zwaars? Het gesprek gaat over dingen die in de gemeenschap te vinden zijn. Noem de namen in de moedertaal en breid de woordenschat uit.

3. Samenwerken: hoeveel personen heb je nodig om deze zware tafel op te tillen? Maak eerst een schatting. Probeer het daarna uit met vrijwilligers.

4. Weegschaal. Iedereen mag zich wegen en krijgt een papiertje met het gewicht eropgeschreven.

5. Leg een papiertje en een zwaar blok hout op de tafel. Om de beurt mag iedereen zelf kiezen welke hij optilt. Als hij het lichte kiest, moet hij iets anders noemen wat ook licht is. Als hij het zware kiest, let er dan op welke spieren hij spant. Vertel iets over spieren.

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.
Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

6. Stel je voor dat je iets moet verplaatsen wat te zwaar is voor een persoon. Hoe ga je het dan doen? (vrachtwagen, duwen met een paar man, een paard). Teken mogelijke oplossingen.

7. Een vogel heeft allemaal veren. Zijn die zwaar of licht? Waarom? Laat een veer zien. Geef iedereen een papier met daarop een schacht getekend. Iedereen tekent de veer af.

8. Sjablonen met vogels tamponneren of op een andere manier een vogel knutselen.

9. Teken op kleine papiertjes lichte dingen en zware dingen. Schud ze door elkaar. De buurman mag sorteren. Maak een kwartetspel van lichte en zware dingen. (Voorbeelden: een huis met een raam, een dak, een deur en een muur of een vogel met een vleugel, een staart, een bek en een oog of een vrachtwagen met een stuur, een wiel, een cabine en een laadruimte.)

10. Maak samen een kwartetspel met lichte en zware dingen. (Voorbeeld: één set van vier is een huis met een raam, een dak, een deur en een muur, een andere set van vier kan een vogel zijn met een vleugel, een staart, een bek en een oog of een vrachtwagen met een stuurwiel, een cabine, een wiel en ruimte voor vracht.)

Afsluiting: Iedereen loopt naar buiten met zogenaamd iets heel zwaars in de handen. Kijk moeilijk, loop zwaar, zet het even neer om uit te blazen of kreun erbij.


8. Kort—Lang

Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.

1. Zing een liedje wat kort duurt. Zing een lied wat duidelijk langer duurt. Bespreek het verschil het korte lied heeft minder woorden. Als je loopt van huis naar hier en je zingt de hele tijd een liedje, welk liedje zing je dan vaker? De een zingt het korte liedje, de ander het lange liedje. Wie is er eerder klaar?

2. Ga in een rij naast elkaar staan. Strek de armen uit wie heeft de langste armen? Verwissel nu van plaats, zodat degene met de langste aan de linkerkant staat en degene met de kortste helemaal rechts. Er tussenin worden de armen steeds iets langer. Als het te ingewikkeld is voor de groep om het zelf te regelen, neem dan de leiding, of geef die aan een geschikte persoon.

3. Elk kind gaat voor zijn or haar moeder staan. Wie is het langst? Tot hoe hoog kom je bij je moeder? Ga met de ruggen tegen elkaar staan. Wie is het langst? Iedereen mag zelf een persoon kiezen waarmee hij zich wil vergelijken.  

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.
Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

4. Geef iedereen 8 draadjes van verschillende lengte. Meet ze af als je knipt, zodat het echt een aantal centimeters of inches is. Leg alle touwtjes tegen elkaar.

  • Welke is het kortste? Welke is de langste?
  • Zoek twee korte touwtjes die samen even lang zijn als één lange.
  • Leg alle draadjes in de lengte tegen elkaar aan.
  • Leg de draadjes in de goede volgorde, van kort naar lang
  • Leg de draadjes zodat ze allemaal even lang zijn, je moet hiervoor meer draadjes in de lengte tegen elkaar leggen.

5. Iedereen gebruikt hun draadjes om een 2-dimensionaal huisje te maken. Gebruik alle draadjes. Plak het op papier.

6. Iedereen krijgt een strootje en een schaar. Knip er korte en lange stukjes af. Doe de strootjes van de buurman erbij. Leg ze op volgorde, van kort naar lang.

7. Leg een hand op een vel papier. Trek hem om. Als vingers hebben verschillende namen (pink, dum, enz.) schrijft de leiding de namen van de vingers erbij. Doe dit in het juiste lettertype. Het kan in de moedertaal, in de landstaal of allebei. Pak een draadje om te meten welke vinger is het kortst/langst?

Afsluiting: Om te vertrekken, rij van het kortste naar het hoogste.  OF Ga in twee lijnen staan. Eén regel zingt het korte nummer; de ander zingt het lange lied. Loop uit zingen.


9 TWEE

 Inleiding. Activiteiten om uit te kiezen.

1. Tel hardop. Tel alle aanwezigen in de landstaal èn de moedertaal. Tel de kinderen en tel de ouders. Maak een optelsom van deze twee getallen. Hé, de kinderen en de ouders samen zijn alle aanwezigen. Laat de optelsom op het bord zien, maar doe er verder niets mee, het is te moeilijk voor de kinderen.

2. Laat het getal TWEE zien. Iedereen zoekt uit waar hij er twee van heeft. Wapper met de handen, stamp met de voeten, voel aan de oren, zodat iedereen het getal 2 goed voelt. Noem twee handen, twee voeten, enz. in de moedertaal.

3. Ga in een kringetje zitten. Zet in het midden een pop (of een kind). De kinderen zetten er TWEE kleine popjes achter.  Het spel kan worden uitgebreid door ze om beurten TWEE van hetzelfde in het midden van de cirkel te laten zetten (twee boeken, twee stokjes, twee ouders …).

Kring (of gezellig samen op de bank) met gesprek, zingen, voorlezen of vertellen.
Verwerking. Activiteiten om uit te kiezen.

 4. Maak TWEE. Geef iedereen een kleurplaat van b.v.b. een meer met een eend, een vis in het water, een libelle aan de waterkant, een ree die komt drinken, een wolk in de lucht, een koe in de wei enz. Teken van alles er twee bij. (Andere voorbeelden: een bos met een specht in de boom, een vos tussen de bomen, een paddenstoel op de grond, een grote plas water op het pad, een wolk in de lucht, een hertje in de verte enz. OF een huis met een waslijn met een overhemd, een bezem tegen de muur, een raam in het huis, een auto op straat, een bal in de tuin, een steen naast de deur enz.)

OF  Geef iedereen een stuk papier en vraag hen om er een eenvoudige scène op te tekenen, zoals het bos, de tuin, de straat, een huis. Laat ze papieren ruilen met de persoon naast hen. Die persoon tekent een tweede van elk item op het papier.

5. Music voor TWEE. Twee personen staan tegenover elkaar en houden de handen vast. Ze draaien met de handen in het middelpunt op de muziek. (Lange beschrijving: iedereen komt in groepjes van TWEE bij elkaar. De paren staan tegenover elkaar en houden elkaars handen vast. Speel muziek of zing een liedje. Iedereen zwaait met zijn handen in de tijd naar de muziek.) Zoek iets uit in vierkwartsmaat. Neem bij voorkeur een lied in de moedertaal, of muziek die bij de cultuur hoort.

6. Iedereen krijgt een getekend plaatje van een rijmwoord. Probeer te vinden wie er bij je hoort. Ga bij elkaar staan, je krijgt dan vanzelf tweetallen. Die plaatjes zijn mogelijk gemaakt tijdens een vorige club gemaakt.

7. Geef iedereen een kleine kaart met een ander woord geschreven aan elke kant. Zorg ervoor dat een van de woorden TWEE VAN DEZELFDE letters heeft. Alleen die kant kan worden versierd.

Afsluiting:  rij in tweeën, misschien jongen-meisje, jongen-meisje of broek-rok of trui-shirt, enz. Loop twee aan twee uit.

Voor kleine kinderen : Tel je benen, armen, handen, voeten, oren, enz.


10. HET ZELFDE

Activiteiten: kies een of meer
  1. Zing met zijn allen een liedje. Maak andere woorden op dezelfde melodie. Leg een heleboel plaatjes duidelijk zichtbaar naast elkaar op een tafel. Om te helpen om op ideeën te komen, mogen deelnemers een plaatje halen en daarover een liedje maken.
  2. Iemand doet iets voor de groep. Alle anderen doen hetzelfde. (gapen, een paardestaart maken, een baby eten geven, wat die mensen gewend zijn om te doen) Iemand die zijn vinger opsteekt mag zeggen wat het is,
  3. Iemand gaat van a naar b. Hij loopt, springt, hinkelt, steekt een been uit enz. Een ander doet hem precies na- hij doet hetzelfde.

 

Lied, verhaaltje of voorleesmoment
Handvaardigheid–keis een of meerdere activiteiten:

 

  1. Teken een kleurplaat precies hetzelfde in als het voorbeeld.
  2. Kies drie deelnemers die duidelijk andere kleren aan hebben. Bespreek het samen, noem de namen van de kledingstukken en de namen van de kleuren. Iedereen mag op een leeg vel papier een ander van de groep natekenen. Als het klaar is raden we wie getekend is.
  3. Deel een vel uit met allemaal verschillende letters/woorden erop. Schrijf een letter/woord op het bord en iedereen wijst dezelfde letter/woord aan.
  4. Leg op tafel 5 voorwerpen.

Wat is dit? Wijs iemand aan die het mag zeggen.

Wat kan je ermee doen? Wijs iemand aan die het mag zeggen.

Als je er nu honderd van had, wat zou je ermee doen? (Verkopen op de markt. Aan iedereen er een geven. Bewaren, zodat ik er telkens een kan nemen als ik het nodig heb. Zaaien (zaad) zodat ik een oogst krijg. )

Moeders; bedenk eens goed. Praat je kind alleen over dingen die je kan zien of ook al over hoe het zou zijn. xxxxxx

  1. Alle mensen met blauwe schoenen mogen naar buiten, met een witte trui, met een haarband, zonder sokken. (Kies iets wat bij de groep past, noem het met dezelfde kleur sokken als …)

Kleine kinderen: iedereen krijgt een velletje papier met iets erop getekend. (een rondje, een kruis, een rechthoek, een vierkant enz. In een doos zitten kopieën ervan. Zoek dezelfde.

 

11 WEG

Activiteiten: kies een of meer
  1. Onder een doek ligt een dingetje. Je kan het niet zien. Het is weg. De deelnemers raden wat het is. Help ze door er telkens iets meer over te vertellen.
  2. Een voor een mogen de feestgangers iets uit de doos met kleine dingetjes kiezen en onder een doek verstoppen. De anderen raden wat het is.
  3. Op een bord liggen 6 dingen. Als niemand het ziet, haalt de leidster 1 ding weg. Laat het weer zien. Wat is er niet meer?
Lied, verhaaltje of voorleesmoment
Handvaardigheid–keis een of meerdere activiteiten:
  1. Leg op een tafel kaartjes met ieders naam. Iedereen mag zijn eigen naam zoeken. Geef nu iedereen zijn naam waarbij 1 letter vervangen is door een puntje. Zet een kringetje om de letter die weg is.
  2. Een kleurplaat met een wit stukje. Daar is iets weg. Teken het erbij.
  3. Iedereen doet de ogen dicht. De leiding wijst een persoon aan die weg gaat. (of twee, moeder met kind). De ogen gaan weer open. Wie is het? Natuurlijk blijven degenen die weg gaan achter de deur luisteren of ze wel geraden worden./Als het te gemakkelijk is, wisselt iedereen van plek nadat er iemand weg is gegaan./ de groep wordt weer compleet en speel het spel nog een keer.

Kleine kinderen: Iedereen staat. De kleine kinderen zijn weg. Zij staan achter hun moeder. Je kan ze niet meer zien. Na een geluid zijn ze er opeens weer.

12. WAAR?

Activiteiten: kies een of meer
  1. maak losse kaartjes met een opdracht erop. Een persoon mag naar voren komen en er een kiezen. Lees zachtjes voor wat erop staat. Nu gaat hij het doen. De anderen raden wat er op het kaartje staat.

– Ga achter de stoel staan, kruip onder de tafel, leg iets op de vensterbank, ga staan tussen twee mensen, ga zitten in het halletje, ga zitten op een stoel enz.

  1. maak samen een tekening op het bord. Een persoon tekent een groot rondje. De volgende een klein rondje er bovenop. Bovenaan het kleine rondje komen allemaal streepjes, een driehoek in het kleine rondje, een streep eronder, twee lijnen onder het grote rondje, onder aan de lijnen vierkantjes, een lijn links komt uit het grote rondje, en rechts ook, hele kleine rondjes eraan. Is het geen knapperd? De groep wordt verdeeld, van elke kleine groep heeft een ouder die goed Romani spreekt de leiding. Zij spelen het spel in de moedertaal.
  2. Iedereen heeft de ogen dicht. De leiding tikt iemand aan. Diegene loopt ergens heen. Hij zegt piep. Iedereen wijst naar de richting waar het geluid vandaan komt. Ogen open en controleren.
Lied, verhaaltje of voorleesmoment
Handvaardigheid–keis een of meerdere activiteiten:
  1. Vertelplaat/kleurplaat. Laat een plaat zien waar veel dingen ergens zijn. (op de kast, naast de deur, op het dak enz. bespreek het samen. Laat een moeder elke plaatsbepaling herhalen in het Romani. Iedereen krijgt een eigen kleurplaat en kleurt hem in.
  2. Maak een reeks (slinger), elke derde ring is een andere kleur. Iedereen maakt een stukje, later wordt hij aan elkaar gemaakt. /werkblad/ ga in een reeks staan/met materiaal.
  3. Knip 3 bomen uit en plak ze gedeeltelijk over elkaar heen. Er horen 20 vogeltjes bij. Iedereen knipt ze uit en plakt ze op de dikke tak, in het nestje, op de grond, achter de blaadjes, tussen de dunne takjes, in de achterste boom enz. Noem de plaatsbepalingen.
  4. Waar ben je?

Wie weet nog waar zijn moeder/haar kind gisteren was?

En daarvoor? En daarna?

Bespreek zoveel mogelijk plaatsen waar je kunt zijn en wat je daar kan doen.

Iedereen krijgt een strook papier wat in kleine gedeelten in de lengte is gevouwen.

Teken daarop plaatsen waar je kunt zijn. Daarna vertel je het verhaal wat erbij hoort:

Eerst was ze in de keuken, toen ging ze naar buiten om met de buurvrouw te kletsen, daarna ging ze naar de moestuin om daar te werken, aan het eind van de middag ging ze weer naar de keuken om eten te koken.

Eerst ging hij naar school, toen bleef hij heel lang op de weg om samen met zijn vriendje in de plassen te stampen, toen hij thuis was, ging hij het eten opeten wat zijn moeder had klaargemaakt, daarna ging hij voetballen.

  1. Iedereen gaat in het lokaal ergens staan of zitten/liggen. (op de tafel, achter de stoel, onder de deken, tussen de ramen. Als je onder de tafel zit, mag je gaan, als je tussen de ramen staat, mag je gaan, als je in de hoek zit, mag je gaan.

Kleine kinderen: Verstop een paar snoepjes in het lokaal. Vertel waar ze zijn. (In de kast, achter de gordijnen, op de plank naast de deur.) Het kind wat aan de beurt is, hoort waar hij moet zoeken en mag het pakken.

13 Tot de lijn

Activiteiten: kies een of meer
  1. Teken een lange lijn op de grond. Ga op de lijn staan, noem op. Ga voor de lijn staan, noem voor. Ga achter de lijn staan, noem achter. Iemand zegt voor… achter… op…. Ga gauw op de juiste plek staan.

Nu mogen de moeders. Zeg het woord steeds sneller achter elkaar. Wie in de war raakt en een fout maakt, gaat zitten. Erna mogen de kinderen.

  1. Wie kan goed een dier na doen? Een persoon doet het voor, iedereen doet het na. De lijn is in het midden van het lokaal. Iedereen loopt zijn eigen weggetje. Aan die kant van de lijn zijn we een (kikker) als we de lijn passeren zijn we ineens een (vogel). Schrijf de dieren op het bord en maak er een schets bij.
  2. Teken 3 korte lijnen op de grond. In een rijtje loopt iedereen eroverheen. Voor de lijn loop je zo, achter de lijn, loop je weer anders, tot de derde lijn, als je daar overheen bent doe je weer iets anders. (knieën hoog optrekken, huppelen, heel breed lopen, op je tenen enz.)
  3. Tikkertje, je mag tot de lijn komen, Als je af bent ga je buiten de lijn staan.
Lied, verhaaltje of voorleesmoment
Handvaardigheid–keis een of meerdere activiteiten:
  1. Schrijfoefeningen
  2. Kleurplaat met lijn erop getekend. Aan de andere kant van de lijn heeft alles een andere kleur.
  3. Knutseltje met lijnen erop getekend (wc-rol, tekening) op iedere lijn wordt een draadje geplakt.
  4. De drempel is een lijn. We lopen naar buiten. Tot de lijn is het heel stil, na de lijn maken we herrie.

Kleine kinderen: Niet geschikt.